De laatste tijd heb ik met meerdere ouders van (hoog-)begaafde tieners mogen spreken over waar hun kinderen tegenaan lopen. Deze problemen waren weer zó divers, maar ook zó herkenbaar.
Drie voorbeelden:
De eerste ouder heeft een kind dat niet goed weet hoe om te gaan met taken als het plannen van het huiswerk, of het maken hiervan. In de onderbouw nooit hoeven doen, maar nu, in de bovenbouw, o zo hard nodig om nog een beetje overzicht te houden op al dat werk.
Een volgende heeft een kind dat zich zorgen maakt om een laag cijfer voor een extra vak waarbij het kind om roostertechnische redenen niet in de les aanwezig kan zijn, maar wel de toetsen maakt. Het staat een voldoende voor dat vak, maar de zorgen zijn groot. Het is bang de grip op het vak te verliezen.
Een laatste ouder heeft een kind dat zich verveelt, thuis niets hoeft te doen, vakken echt te makkelijk vindt en daardoor rare fouten gaat maken. Het kind wordt slordig, uit verveling. Hierdoor ziet het dingen over het hoofd, soms zelfs hele opgaven, wat leidt tot een onvoldoende voor een vak waarvoor het gemakkelijk een 8 zou kunnen halen.
Allemaal verschillende (hoog-)begaafde kinderen, die door verschillende oorzaken tegen deze verschillende problemen aanlopen. Al deze oorzaken hebben echter één basis: hun hoge intelligentie. De grondslag ligt meestal in het basisonderwijs, maar veelal lopen zij tegen de lamp in het voortgezet onderwijs.
Voor ieder van hen zijn mogelijkheden om deze problemen het hoofd te bieden, zoals een-op-een gesprekken of een training in studievaardigheden gecombineerd met huiswerkbegeleiding.
Recente reacties